Selecteer een pagina

Column

Dagblad de Limburger,
zaterdag 24 september 2016

door Frans Pollux

Column Blônd & Bril

Blond en Bril

Waerden Bril,

Toen ik gisteren in ’t kepèlke van Geloë een kaarsje ging opstaeke, om Maria te bedanken voor de goal tegen NAC, zat buiten op een bankje een lange man met een doorleefd mörfke voor zich uit te staren. Bij zijn gelaarsde voeten stond, bovenop een gitaarkoffer, een aangevraete stök taart. Met een kaarsje erin geprikt. Op zijn hoofd een gevouwen papieren kroon waarop in potlood ‘60’ gekrabbeld was. Ik aarzelde of ik hem moest feliciteren; de man leek niet in feeststemming. ‘Ich zeen dich waal kiéke’, zei hij plotseling, met een prachtige, diepe stem. ‘Du dinks: waat duit dae jäörige heej einzaam op ein benkske.’

Ik schrok, want ik herkende de stem. Een stem uit duizenden: Arno Adams. Hij nam met zichtbare tegenzin nog een hap uit zijn taart, en sprak met volle mond verder: ‘Du dinks: waorum is dae gen fees ‘nt viere op ziene zestigste verjäördaag?’ Dat dacht ik helemaal niet, want Arno lijkt me niet het type van slingers en vlaai en spijkerpoepen. Maar ik knikte, want een levende legende spreek je niet tegen.

Nou, det zal ich dich vertelle,’ vervolgde Arno. ‘Ich höb ennen haekel aan feesjes.’ Uit beleefdheid trok ik een verbaasd gezicht. ‘Ich hald miér van de sfeer van oétvaarte en echscheidinge.’ Zonder een reactie van mij af te wachten, opende hij zijn koffer en pakte zijn gitaar. Hij streek over de snaren. De dikke E klonk nog dieper dan zijn stem. Mijn hele lijf trilde.

Lang zal ich laeve’, zong hij, breekbaar en tergend langzaam. Het geluid sneed dwars door de dikke, Belfeldse lucht. ‘Lang zal ich laeve.’ Ik durfde amper adem te halen, en ook Arno liet een stilte vallen, waarin zijn handen stilletjes naar het laatste akkoord gleden. Hij plukte dat akkoord tevoorschijn, en keek me doordringend aan: ‘In de gloria.’

Ik voelde wat iedereen voelt die Arno ziet en hoort spelen. Je wordt door iets vastgegrepen, zo stevig dat het ongemakkelijk wordt, dat het pijn doet zelfs. Maar tegelijkertijd wil je niet dat het ophoudt. Ik durfde de stilte niet te breken. Dat deden Thei & Marij al. Ja, Vrind Fok, of je mij nu gelooft of niet: precies op dat moment kwamen Thei & Marij uit het kapelletje gesjoenkeld! De kersverse winnaars van de oeuvreprijs van het Limburgse leed! ‘Hieperdepiep!’ riep Thei, en Marij: ‘Hoera!’ Ze knoevelden Arno en zoenden hem. Marij gaf hem een veldboeket. De lucht was meteen opgeklaard; zelfs Arno glimlachte. Thei en Marij namen naast hem plaats op het bankje, kletsten gezellig, en deelden zijn taart. Stilletjes vertrok ik, een belangrijke les wijzer. In het dialect is het hele leven te leven, van schaduw- tot zonzijde. Van vastelaovend tot blues. Splinters, en vlinders. Proficiat, Thei, Marij en Arno.